Dagboek DECEMBER 2006
▲index ▲
1 december 2006 - BLOWERDOORTEST
Hoe dikwijls kan je een organisatie ontbinden? Hoe dikwijls kan je voor de laatste keer samenkomen? Hoe dikwijls kan je elkaar ten afscheid in de ogen staren? Hoe dikwijls kan je jezelf wijsmaken dat déze rol pro clima de lààtste is?
Dikwijls, juist.
De Cel had zijn 3e reünie op rij in een tijdspanne van, pakweg, een maand – hoe geloofwaardig ben je dan nog, hè? -
Laat ons misschien stellen dat deze Cel niet te ontbinden valt? Niet nu, zelfs niet later.
Er is té veel blauwe tape door onze handen gegaan; die diep, diepblauwe tape die de ogen die extra diep, diepblauwe gloed geeft ...
Maar goed.
De ‘blowerdoortest’ dus.
Er is veel over te doen geweest, er is veel over en weer gekletst en afgesproken en opnieuw afgesproken.
Er ware fantasieën over kamers vol blauwe rook en naar buiten gezogen worden. Vacuüm getrokken tegen de ramen plakkend, naar adem snakkend, armen gespreid, het vel tegen de ribben, de oogkassen leeg.
Maar uiteindelijk was het zover: de GrOte BlOwerdOOrtest.
Niets van bovenstaande is bewaarheid geworden, maar geblowd hebben we.
Men neme een megagrote 'ventilator', men plaatse die in een deurgat,
- luchtdicht wel te verstaan, Meneer de Tester-
men zuige dan de lucht naar buiten en men mete het drukverschil.
- Het is iets in dien aard, echt waar, volgende keer zal G., de Bezieler
een simpele, begrijpbare, kant en klare geloofwaardige uitleg geven, ja op papier, beloofd,
- (G., is da goe voor jou? Of L.?) -
Zijn we high geworden? Ja. Of liever: neen.
Neen, eigenlijk niet, maar er was wel een groot tekort aan suiker. Veel suiker, neen weinig suiker, enfin iemand had een tekort aan suiker.
Maar daarvoor waren we niet daar.
De 'blowerdoortest' dus.
Zijn we geslaagd? Ja. Ok ok , eigenlijk feitelijk: neen.
Neen, maar bijna wel, echt écht bijna wel. We scoren 8 keer beter dan een gemiddelde meeting. Zeer goed, maar niet goed genoeg.
Zijn we tevreden? Ja. Of eerlijk gezegd: neen.
Neen, een beetje tevreden maar, een héél klein beetje, om bijna te zeggen: helemaal niet tevreden – maar dan zijn we te negatief, en wij, de Cel, doen daar niet aan mee, aan negativiteit-
We zijn zeer slecht begonnen, toegegeven; had Ma., de Banjospelende niet blijven doordrammen over 'die-spleet-daar-boven-die-deur -dat-is-toch-niet-normaal -dat-trekt-daar-toch -echt-serieus-is-dat- wel-normaal?' dan hadden we nu allemaal met een depressie thuis gezeten, voor het leven ...
Dank Ma., de Banjospelende ...
De Cel is alle tochtgaten met een nietsontziende woede te lijf gegaan na het zien van de 1e – slechte- resultaten (945).
Jassen uit, mouwen opgestroopt, tape in de aanslag ...
G., de Bezieler - met vijsmachine achter de oren- en L., de Energieke – toen zijn suikerniveau weer op peil was - gaven het tempo aan.
De meter (859).
(L., de Energieke bewees trouwens dat Samson een mietje was toen hij – Samson dus- beweerde dat hij – Samson- zijn kracht kwijt was omdat zijn lokken waren geknipt. Maar dit terzijde)
Een wervelwind, een storm joeg door de ruimte. Ka., de Verstelster van Schone Verhalen bleef er rustig onder, af en toe een blik werpend op de meter (738),
S., de Surrealist stoof ladder op en af. Licht werpend waar het nodig was, en omgekeerd.
De meter (816).
P., het Brein keek fronsend toe.
Er werd geplakt of ons leven er vanaf hing, er werd gevochten om de laatste rol tape, gekrabd, geschraapt, gevloekt.
De meter (677).
H., de Passante kwam ons troosten met de mededeling dat uitgerekend 30 november net de dag was van de overdruk. Of was het de onderdruk? Enfin, een slechte dag om te testen tout court.
De meter (610)
Lager dan dat zijn we niet geraakt – wel, heel even (565), maar dat was niet stabiel genoeg-; en dat frustreert ons, wij, de Cel.
Hebben we te weinig feeling gehad met de tape, te weinig orcon gesmeerd? Hadden we de ramen beter moeten uitwerken, secuurder moeten meten? Meer focus, meer suiker, minder koffie? Hadden we elkaar meer moeten steunen, liever moeten zien?
Hadden we willen moeten kunnen mogen doen krijgen, dan hadden we misschien (385) gehaald ...
Jassen aan, handen diep in de zakken. Donker en koud.
Troje was gevallen; Meneer de Tester was niet om te kopen. En we wilden ver gaan, heel ver.
Ons leven zal nooit meer hetzelfde zijn.
Els Eeckhout (Schuunschgreifster)
6 december 2006 - Het pierkespark
▲index ▲
Tussen de Reinaertstraat, de Haspelstraat, de Aambeeldstraat en de Ooivaarstraat ligt, nu nog goed verborgen voor begerige ogen, het toekomstige Pierkespark. Een tijdje geleden kon je alleen maar een suggestie van het park zien doorheen een getraliede poort. Liepen er binnen dan monsters, criminelen, ongetemde leeuwen misschien, die van de buitenwereld dienden gescheiden te worden door een stalen hek? Of was het omgekeerd. Waren wij de wilde beesten die onder controle moesten blijven, weg van de veilige wereld van parochiale werken en kringloopwinkel?
Waar vroeger de muren stonden waartussen het traliehek was geprangd, gaapt nu de leegte. Indien je ’s avonds je auto niet geparkeerd krijgt, kan je het daar altijd nog proberen. Je moet niet meer stiekem gluren om iets te zien. Stap gewoon maar binnen -doe eerst je botten aan misschien- en kijk om je heen. Wondere dingen zie je dan. In het park staan een aantal prachtige oude bomen die de sloopwerken hebben overleefd. Zij zijn niet van gisteren. Het zal allemaal mijn tijd wel duren, hoor ik ze zachtjes fluisteren in de wind. En zij gaan door waarmee ze altijd al niet bezig waren: Voorzichtig wiegen in de wind en met de neus boven de hun omringende muren uitkijken op de torens van Gent, de kruin devoot gebogen voor zoveel schoonheid.
Aan de rechterkant de nieuwe kringloopwinkel, een industrieel wonder van staal en glas en goede bedoelingen. Hier vind je een uitzet voor een prikje. Het industrieel gebouw is vergroeid met het sierlijke oude gebouw van de kringloopwinkel. Een schoner demonstratie van interculturele liefde kan je niet bedenken. Een oude, sierlijke en hoogst katholieke dame met franje en kant en hoge dunnen ramen is hier gevallen voor de charmes van een geblokte heer die zijn postmoderne kracht en functionaliteit met veel aplomb etaleert. Zie ze daar staan, hand in hand, verstrengeld voor het leven. Hopelijk komt er iets moois uit. Een stuk van zijn muur is nog grijs en naakt. Zijn betonnen platen sidderen al stiekem van verlangen bij de gedachte aan een snelle streling door de verfborstel, om van de sensatie van een vochtige verfroller nog maar te zwijgen. Wat zal het worden? Felle kleuren, vette boeddha’s, helden, monsters, of mannen uit de buurt misschien? Maakt niets uit, als het zijn dame maar belieft. Hij zou sterven voor een woord van haar, voor een goedkeurende weerspiegeling van haar ramen. De liefde blind? Wie heeft dat ooit bedacht?
Misschien past best nog een tekening van Pierke, dan schiet er toch iets van hem over. Een vage herinnering aan wat was, aan wat niet meer terugkeert. Pierken zijn garage, tevens de zaal voor de voorstellingen, ging met een lange zucht tegen de vlakte. Niemand kon Pierke overtuigen om opnieuw te beginnen, met het zelfde Pierken in een nieuwe zaal. Hij was nochtans een ideale bestemming voor gemakkelijk ouderlijk succes op verjaardagsfeestjes van de jongsten. Wat moeten al die ouders nu doen? Gaan bowlen in de Meibloemstraat? De video dan maar? Of verstoppertje in het Pierkespark. In elk geval: dag Pierken, het ga je goed, jammer dat je het niet meer zag zitten.
Aan de andere kant van het park staat de tegenpool. Geen simpele structuur of rauwe kracht, maar souplesse en raffinement. Hier bouwen de Vieze Gasten een nieuwe foyer. Een passief gebouw noemen ze het, want energie verbruikt het niet. Maar zo passief is het niet. Het wentelt en kronkelt en wenkt haar bezoekers. Kom maar, roept deze jonge deerne, toe, kom maar binnen. Ik wacht op je. Ik ontvang je met mijn warmte. Het zal fijn zijn hier. Passief noemen ze dat dan, maar het laat niemand onberoerd. De strakke heer aan de overkant wordt er een beetje onrustig van, maar zijn katholieke dame laat zijn gegluur oogluikend toe. Hij zit toch aan haar vast en bovendien gunt ze het jonge meisje wel een pleziertje. De levenslust die ervan af straalt, maakt alles goed, doet ook de oude dame gloeien van plaatsvervangende opwinding. Van pure zotternij hebben jonge vandaaltjes een paar ruiten ingegooid van haar aanpalende kamers. Straf spul die hormonen. Maar dat neemt ze er met de glimlach bij, want ze keek toch al uit naar een lekkere opknapbeurt. Een paar rimpeltjes wegplamuren, een nieuwe bril, een nieuw kleurtje misschien. Hoog tijd inderdaad, en naar het schijnt komt een restaurant aan haar binnenkant. Wat een avonturen op haar leeftijd, ze leeft er helemaal van op.
Ook de opa vlakbij, een directeurswoning van de tijd van toen, is helemaal opgekalefaterd en krijgt een nieuwe bestemming. De oude knar ziet er fantastisch uit. Misschien wordt hij wel door dat ‘passieve’ meisje aan de haak geslagen. Wat is dat hier allemaal. Na jaren isolement, gaan de deuren en ramen eindelijk open. Een frisse wind waait doorheen het park en blaast het stof uit de oren. Nieuw licht, nieuwe gebouwen, nieuwe geluiden, nieuwe geuren, nieuwe mensen. Een beetje leven, eindelijk, en hopelijk veel groen. Als de kinderen maar van mij mooie ruiten blijven, denkt zij, die zijn zo broos, met mijn vitroporose ook.
Koen
▲index ▲
CAUSA LATET
Vandaag stond ik op met een onbestemd gevoel, een tinteling in mijn buik, een bruisend verlangen in mijn bloed. Het is de derde en laatste dag van mijn ziekteverlof – een virale infectie (een stevige verkoudheid, ha ha!). Een grote kuis staat op mijn programma: de afwas van vier dagen, het stof van een week of twee. Niets om me vrolijk over te maken, maar dat is nu net wat ik voel: vrolijkheid. En vrolijkheid is geen karaktereigenschap die iemand die mij kent mij zou toeschrijven. Er moet dus een reden zijn voor dit gevoel en ik ben vast van plan uit te vinden welke reden dat is.
Ik zet mij een kan groene thee met jasmijn en honing. Ik vul een kommetje kellogg’s extra chocolate en wil naar buiten gaan, in het zonnetje zitten. Een spin heeft echter de doorgang overspannen met haar web. Ik vermoed dat het dezelfde spin is die ik gisteren tot drie maal toe verjaagd heb. Het ontbreekt mij aan moed om het web opnieuw te vernielen, dus ga ik in de woonkamer zitten. Ik zet de radio aan. Muziek is niet mijn leven, maar ik wou dat het wel zo was. Naast mij op de zetel staat een gitaar die ik veel te weinig vastneem. Naast de zetel staat een piano die ik veel te weinig openklap. En plots denk ik: eureka! Die vrolijkheid van mij is vast een oprisping van creativiteit, een nieuw lied dat eindelijk nog eens aan mijn luie brein ontspruit. Dus ik tokkel wat op mijn gitaar. En ik tokkel wat op mijn piano. Er ontstaan wat ordinaire wijsjes, meer niet.
In de drie dagen van mijn ziekteverlof heb ik geen mens gezien. Dat is niet uitzonderlijk. Vaak zie ik in weken geen mens – tenzij mijn collega’s (noodzakelijkerwijs). Ik vermoed dat dit zelfverschuldigd is. Wellicht ben ik een eenzaat. Dat moet in mijn aard liggen, want ik heb het niet bewust zo gewild. Ik heb altijd populair willen zijn, met veel vrienden en vooral veel vriendinnen (ha ha!). Ik heb altijd gedacht dat een mens ofwel naar verandering moet streven, ofwel zich naar zijn lot moet schikken. Ik heb nooit in determinisme geloofd. Ik geloof wel dat er een lot is voor iedereen die zich schikt en niet de moeite neemt om iets te veranderen. Omdat verandering mij angst aanjaagt heb ik mij naar mijn lot geschikt.
In de namiddag van mijn derde dag ziekteverlof ga ik alleen een ommetje maken (de benen strekken). Een paar keer per jaar wandel ik door de Bourgoyen (natuurdomein). Vandaag is zo’n dag. Het is warm, heel warm. Er is weinig volk op pad. Ik heb mijn natuur graag mensenvrij. De grootsheid en onverstoorbaarheid van bomen vind ik erg rustgevend. Ik beeld me in hoe een wereld zonder mensen er zou hebben uitgezien. Ik ben nog altijd vrolijk, maar weet nog steeds niet waarom.
Als ik die avond buiten in mijn ligstoel lig en naar een viertal sterren staar slaat de euforie in alle hevigheid toe. Wat ben ik toch vrolijk, roep ik bijna (maar ik brom alleen een beetje). Als kind probeerde ik te geloven dat ik niet van deze planeet was, dat aliens mij hier hadden achtergelaten om te spioneren en dat ze mij op een mooie dag weer zouden komen halen. Het is mij nooit gelukt om dat ook echt te geloven. Misschien is vandaag de dag dat ze mij komen halen? Ik neem mijn gsm en tik zonder te kijken een nummer in. (E.T. phone home.) ‘Het oproepnummer dat u gevormd hebt is niet in gebruik.’ Misschien ook niet.
Ben ik gewoon blij dat ik leef? Die conclusie valt me een beetje tegen. De rest van de avond zit ik ordinair vrolijk te wezen. Met een biertje.
Johan
▲index ▲
DE VIEZE GASTEN KRIJGEN NIEUW GEZICHT
Wat ooit Reinaertstraat 101 was, een honderdjarig schoolgebouw voor katholieke meisjes, en later werd uitgebouwd tot een groot onderdeel van de Sociale Dienst: een kringloopwinkel, krijgt een compleet nieuwe vorm. Het is eind juni 2006. Een hete zomer staat voor heel wat deuren. Ook voor de deur van De Vieze Gasten.
Terwijl oud en nieuw zich vermengen, terwijl stijl en vorm een hoekje Brugse Poort hertekenen tot wat het Pierkespark zal worden, komen De Vieze Gasten zichtbaar uit hun verborgen schulp.
Daar zie ik een achteropliggende entree van De Vieze Gasten tussen autoboxen verdwijnen en een nieuwe toegang vanuit een mooi ogend park tevoorschijn komen.
Ja, ik weet nog zeer goed dat De Vieze Gasten met een zeker verlangen uitkeken naar het moment nul om te kunnen beginnen aan de afbraak van een voormalig stukje winkel voordat de nieuwbouw echt kon aanvangen.
En dat geduldig wachten werd zeker smachtend in de laatste weken dat de Kringloopwinkel traag en gestaag maar toch herrees uit de asse. En toen de Propere Fanfare vrolijke noten speelde op het feest bij die verrijzing, was dat wachten voorbij voor De Vieze Gasten. Het uur nul was voor hen aangebroken.
Toen kwam pas het echte startschot. “Afbreken, jongens!” luidde het. Altijd is het plezierig om met een propere lei te kunnen beginnen. De Vieze Gasten maakten hun handen heel vuil maar het duurde allemaal niet zo vreselijk lang voor het nieuwe verworven terrein bouwklaar lag en de volle containers selectief afval verdwenen waren.
Het maagdelijke terrein mocht nu eerst een korte tijd verluchten, rijpen, voordat een aangesproken firma overging tot een heel grondige fundering. Want een gebouw zal verrijzen voor de nabije toekomst, een gebouw dat zeker geschiedenis zal schrijven en te vinden zijn in de boekjes over de Gentse stede en zeker over de Brugse Puurte.
Want, een gebouw terug naar de natuur? Genietend vanop het terras van de Kringloopwinkel hoor ik ‘onze’ Marc vertellen: “Kijk, dat is mijn schoonzoon die de leiding heeft. Dat kleine manneke. Je zou het hem niet nageven, maar daar schuilt heel wat talent achter.” Ik weet niet hoeveel stères aan hout één van de Marcs van De Vieze Gasten intussen door zijn handen heeft laat gaan. Het zijn er alleszins veel, die plankjes en balkjes, waarvan er vele worden verzaagd, ter plaatse, op maat voor straks.
Het is raden naar hoe de stukken hout als een soort puzzel één geheel gaan uitmaken. Het tekeningetje van het nieuwe gebouw zag ik niet, ik zag alleen mensen, bezige mensen. Mensen die wisten wat aanvangen met hun beide handen. Bezige bijen zijn het die met volle zin en fier een klus aan het klaren zijn.
Opdat al dat hout niet op de lange baan wordt geschoven, zal een bouwploeg van de internationaal gekende en beroemde Bouworde een degelijke steun in de rug geven van de vrijwillige Vieze Gasten en zo wordt langzaam maar zeker, en in ieder geval vakkundig, een gebouw met klasse opgericht. Dank ook aan die kleine groep bouwgezellen!
Fases van iets nieuws. Boven De Brugse Puurte rijst, mooi, warm en vrolijk, een gebouw in degelijk hout: de nieuwe poort van Kultuur van De Vieze Gasten. Een tehuis voor allen die de Brugse Puurte en zijn kunst genegen zijn. Laten wij toasten op een toekomst waar alle kunstvormen welkom zijn.
Erik
▲index ▲
DE PUURTE, EEN WAARDE
Mogelijk kunnen er nog een paar nationaliteiten bij op de Brugse Poort. Er zijn veel redenen voor immigratie te noemen en één ervan zou kunnen zijn dat het er goedkoper is dan elders. Met elders bedoel ik dan een andere buurt.
Met de wet op de privacy noemen wij niet de straat. Onze straten lijken uiteraard een beetje op elkaar. De een is wat kleurvoller dan de andere.
De straat die ik bedoel dan maar? Daar is een poort en achter die poort bevinden zich een aantal garages. Het huis is opgedeeld en je mag je bril gerust thuis hebben gelaten, want er zijn een half dozijn briefkasten op de straatmuur gespijkerd. Wat ons laat besluiten dat dit alweer een kunstwerk is van een huisjesmelker. Er zijn natuurlijk heel wat van die melkers. Wie het woord heeft uitgevonden, weet ik niet. Ik ken alleen maar het woord duivenmelker in mijn woordenschat en dat heeft niets te maken met een huis. Hoewel, die duiven moeten ergens thuis komen en zijn.
Was het nummer Bis of C? Ik weet het niet meer. Maar het was een niet-arische naam die ik vond op het plaatje. Het was een mooie zwarte kast, en erg zwaar, die moest worden geleverd. Ik belde aan en ergens moest er wel iemand zijn die dat hoorde.
Het was uiteindelijk een jonge dame die men de naam geeft van moslima, te oordelen naar haar uiterlijk, die de poort op een kier opende. Het was een prachtige Nederlandse stem die ik hoorde, in mooi ABN als het ware, waarmee ik werd aangesproken. De kast? Ja, die heb ik besteld. U bent op het goede adres. Toen de dame vertelde dat het op de binnenplaats te doen was, slikte ik even toen ik het ingerichte duivenhok aanschouwde. Ik kon niet geloven dat in dat bijgebouwtje een woning stond. Maar het verbaasde mij nog meer toen werd verondersteld dat wij de kast op die nauwe buitentrap naar boven zouden tillen. Rekening houdend met die verzwarende omstandigheden, hadden wij echter geluk. De moslima verstond de reden en zou zoeken naar enkele krachtpatsers in de buurt.
Maar wat mij het meest verbaasde, was dat de dame niet zomaar uit het eerste het beste land was geëmigreerd naar ons landje, maar een rasechte Nederlandse was. De Vieze Gasten op bezoek in rauw Amsterdam een tijd terug? Nu, deze moslima had zoveel goeds gehoord over ons, dat zij Amsterdam wou inruilen voor een nieuw leven in Gent. Stel je voor, Amsterdam voor de Brugse Poort. Je moet maar durven, hé! En dan maar horen hoe prettig onze stad is, hoeveel meer opvoeding hier waard is en nog meer positiefs. Mijn oren mochten eens tuiten, dat wel.
Erik
▲index ▲ |