|
Dagboek MEI 2007
▲index 2007▲
1
mei 2007 - FIL ROUGE
Feest van de arbeid
Voor het eerst in mijn bescheiden bestaan had ik me laten verleiden eens een
kijkje te gaan nemen naar de 1 mei optocht. De rode draad die zich op een
hoogdag lijk deze door de straten van mijn stad kronkelt. Nooit eerder geziene
kameraadschap, massaal marcherende fanfares, wapperende wimpels, de kleur rood
opnieuw uitgevonden.
En een lawaai, een lawàài.
Ongehoord.
Even, heel even had ik overwogen met aan te sluiten bij de marcherende AC’ers.
Het anarchistische Centrum, het Assez, hier uit de buurt had besloten zich aan
te sluiten bij deze vooruit marcherende 1 mei colonne. Achteruit weliswaar, om
de neerwaartse spiraal van de vooruitgang aan te klagen.
Maar lijf en leden in erbarmelijke staat zijnde na een slopend weekend deden me
besluiten dat een plekje in de zon op mijn favoriete terras misschien toch wel
een verstandiger uitgangspositie was om de achteruitgang te aanschouwen.
Meer lucide ben ik in jaren niet geweest.
Dat met dat slopende weekend behoeft een verdere verklaring vind ik.
Het is niet zo dat ik zélf zomaar uit mezelf zo slopend aan de gang ben gegaan,
absoluut niet. Enfin. Ja. Neen. Of toch? Misschien. Wel, érgens; ik bedoel,
eigenlijk: het was niet volledig mijn eigen schuld, zie je. De Vieze Gasten
hadden nog voor een allerlaatste keer vrijwilligers nodig voor hun passieve
bouwwerk. Mijn zwakke plek kennende en de lokgroep van een weekend op hoge
hoogte ... de verleiding was te groot. En het feit dat de uitnodiging een
belofte inhield: het al-ler-laat-ste werkweekend.
Wie zou zich daardoor niet laten verleiden?
Weinigen, zo bleek.
Een handjevol ouwe getrouwen stond te trappelen om er nog eens in te vliegen.
G., de Bezieler, L., de Energieke, M., de Romanticus, S., de Surrealist, B., de
Stormram, P., het Brein, Ka., de Vertelster van Schone Verhalen –met een extra
werkkracht aan boord- en ik, de Schrijfster.
Om 10h pile.
Mijn God zijn wij een schone bende.
Maar écht een Schone Bende.
Het was als thuis komen na een lange reis.
Weinig woorden waren nodig om weer aan het werk te gaan. Om elkaar te verstaan.
Om de draad weer op te pakken waar we hem in het stormweer van het
openingsweekend laten liggen hadden. Het passieve jargon zat ons nog in het
bloed, het dak was onze balzaal, de thermowood ons instrument.
Onze lijven krulden zich naar zijn vorm.
De latjes virtuoos bespeeld, gezaagd en gevezen om zich te laten plooien naar
hoe wij het deze keer voor eens en voor altijd wilden.
Om nooit meer los te komen van elkaar.
De planken, de vijzen, wijzelve ...
2 dagen lang
Wat valt er te filteren uit dit weekend? Wat valt er onder de noemer ‘mag het
daglicht zien’ en wat niet? Wat verzwijgen we en wat delen we? Wie zijn we, waar
komen we vandaan, waar gaan we naartoe, wat drijft ons?
Verkopen we onze succesformule of houden we de lippen op elkaar totdat we kramp
krijgen? Awel, ik weet het ook allemaal niet zo direct.
Een tip van de sluier, omdat jullie het zijn.
De Wetenswaardigheden, om te beginnen:
-G., de Bezieler heeft ze zien vliegen, de ooievaars, 2, een koppelke.
-L., de Energieke, die ze ook af en toe ziet vliegen en dan streepkes zet, heeft
een verdomd schoon balustradeke ineen geflanst. Das wat anders dan de
‘Nele-&-Pieter-met-Bram&Kaat-de-tweeling’ trap ten tijde van de opening.
-Ka., de Vertelster van Schone Verhalen heeft ook iets te maken met het zien
vliegen van de ooievaars.
-Bataille heeft iets met de Einsturzende, ja ja, en hun ‘Architur ist
Geizelname’ verovert de wereld, enfin, zeker de Brugse Poort.
-De wetten van de fysca zijn fenomenaal en niet te negeren: metaal wordt
gloeiend heet door wrijving tegen hout. Gloe-iend heet ...
-Een passief kot werkt écht; wat de KUL ook moge beweren G., wij weten wel
beter.
De Dieptepunten, om nog even aan te geven dat er ook wel kommer en kwel bestaat
zo, onder gelijkgezinden zo:
-De hete vijzen en de rokende achterzakken.
-Het tekort aan hout zaterdagnamiddag, waardoor G., de Bezieler en ik, de
Schrijfster de dip van ons leven kregen. Elkaar vertwijfeld en onzeker
aanstarend, mompelend dat dit echt het einde was, dat dit niet meer plezant was,
dat dit te ver ging, dat dit toch echt niet meer kon. L., de Energieke en M., de
Romanticus ervan verdenkend het zinkende schip verlaten te hebben om ons daar te
laten stoven op dat dak tot het einde van ons dagen.
-De splinters; als, àls ik er ooit in slaag al het hout dat zich in mijn handen
heeft geboord dit weekend, te verwijderen, dan kan ik een ganse winter gratis en
voor niets stoken.
-De 1e fase van de discussie over de zin van het leven -koude douche en een
dreigende vork in de lucht-
-Creationisme versus Darwinisme.
-De ontdekking dat het gevonden hout nog niet was behandeld en dus nog moest
ingewreven worden, 12 balken; meters, kilometers lang.
-Te veel mayonaise in de patatjes van ’t koud buffet.
De Hoogtepunten, de kersen die al het kommer en kwel tot nul herleiden:
+Het vinden van het hout –vóór we wisten dat het onbehandeld was- 12 balken, en
2 passanten die geheel vrijwillig aanboden diezelfde 12 balken te helpen
uitladen.
+Het mutske van P., het Brein en de flair waarmee hij met datzelfde mutske op
zijn hoofd zijn blitse fiets besteeg.
+Het samenwerken tout court, het dak is dus nu echt àf. En schoon.
+De 2e fase van de discussie over de zin van het leven -douche werd warmer en
vork minder dreigend-
+De extra peer en de extra perzik van ’t koud buffet.
+Strategies Against Architecture.
+De bende van Victoria Deluxe die zijn ‘Stem 72’ toer afsloot bij de Vieze
Gasten en ons daardoor liet meegenieten van eerder vermeld koud buffet.
+De Zon.
+De slokken water tussendoor.
+1 gigantisch bord vol met eten, 2 vorken en 2 konten die, gezeten op de drempel
van het passieve kot, zagen dat het met de wereld misschien toch nog wel de
goeie kant uit zou kunnen gaan.
Zin er dingen die we misschien beter niet hadden gedaan, of anders hadden moeten
aanpakken? Bof, om er en paar te noemen:
-Cirkelzaag uit de losse pols gebruiken.
-Een stalen kabelke spannen op enkelhoogte.
-Betalen met een briefke van 500euro bij de plaatselijke Turk.
-Een fanfaremoment inlassen op een dag dat er moest gewerkt worden.
-In de Brugse Poort gaan wonen
-Nieuwe uitdagingen aangaan ofte ‘hoe word ik als verpleger aannemer’.
-Hout kopen dat niet vooraf behandeld is.
-Zonder zonnecrème op een dak gaan zitten.
-Zingeving zoeken.
Verhalen, anekdotes, zoveel, maar zo verdomd veel; goei dingen en goei goei
dingen.
’t Is schoon geweest, mercidankuweltisniets.
Ik ben geen 20 meer, zelfs geen 30 meer ...
De wonden zijn geheeld intussen, de splinters mooi gestapeld om deze winter op
te stoken. De spieren hebben hun veerkracht hervonden.
Gelouterd door de zon.
Fille rouge
De plek waar mijn vleugels eens zaten, jeukt nu;
Tijd om te vertrekken.
No rest for the wicked.
Els Eeckhout, schuunschgreifster
Merci F., ik heb je fil rouge/fille rouge gepikt.
Omdat het zo toepasselijk was, omdat ik het gewoon niet niet kon gebruiken.
Je hebt een Duvel te goed.
4 en 5 mei 2007
- Kastanjestraat en Kokerpark
Ik neem gemakshalve de
aankondiging over die in de folder van ’t stad stond: ‘Plechtige Heropening
Kastanjestraat’, officiële inwandeling van de nieuwe Kastanjestraat door Martine
De Regge, schepen van Openbare Werken, Stadswoningen en Rationeel
Energieverbruik –een mond vol en allemaal met een hoofdletter, G. en L. die
madam moeten we onthouden, die madam gaan we nog nodig hebben, rationeel
energieverbruik weetwel-
En: ‘Feest in het Kokerpark’, met de plechtige onthulling van het kunstwerk
‘Geef de Ooievaar je gezicht’ door Tom Balthazar, Schepen van Milieu en Sociale
Zaken.
Ook hier hoofdletters.
Laat ons beginnen bij het begin, de Kastanjestraat.
Eindelijk klaar, eindelijk schoon geveegd, eindelijk weer een gewone straat –ook
al hebben ze er 50 miljoen oude Belgische franken tegen gesmeten om haar het
blozende rode kleurtje te geven dat ze tot het eind van haar dagen zal dragen,
het is en blijft een gewone straat-
Een handje vol mensen –ok, ok; twee handjesvol, een burgemeester en 3 of 4
schepenen, een ganse vloot dus- heeft de inwandeling bijgewoond.
Een wandeling van het Acaciapark richting Fonteineplein en terug.
Halverwege een stop voor het obligatoire lintje knippen door Daniël Termont,
ónze Daniël Termont jawel, en dan terug, om uit te waaieren voor het podium aan
het Acaciapark waar De Regge haar ding nog wou doen.
Tijd dus voor de speech en een onderdrukte geeuw.
Starend richting Acaciapark.
Park is een té groot woord voor deze zandvlakte, een trekgat volgens de
straatbewoners, altijd wind in de Kastanjestraat mevrouw.
Zand en stenen.
Oh, ze zijn zeer enthousiast over de plannen die er zijn om van de zandvlakte
een echt park te maken, met bomen en al. Maar het gaat nóg 2 jaar duren voor ze
er aan beginnen en de kinderen hier moeten toch ergens kunnen spelen? Zoals het
er nu bij ligt is het een pest, er zitten zoveel stenen in de grond –hé H., je
verhaal over stenen die vanzelf uit de grond komen is wáár, blijkt dus echt een
natuurverschijnsel te zijn; ongelooflijk- de verleiding voor de spelende
kinderen is te groot, menige omwoner van het parkje krijgt stenen in zijn tuin,
niet altijd even onschuldig zo blijkt uit de verhalen. Buurtbewoner X heeft zijn
aanpak omgegooid, in plaats van zich telkens kwaad te maken heeft hij op een
goede dag beslist om vriendschap te sluiten met de buurtkinderen. Ze weten
intussen wie hij is, respecteren hem en luisteren als hij hen vertelt wat kan en
wat niet kan.
Mooi verhaal.
Minder mooi verhaal van buurtbewoonster Y, haar moeder is gestruikeld over de
betonnen blokjes die de parkeerplaatsen markeren. In haar poging die ondingen te
vermijden, is ze zwaar gevallen en heeft ze 3 vingers gebroken.
Fuck
Moet er nog zand zijn?
Wel en wee in de Kastanjestraat, terwijl de ‘Stolen Ponies’ Johnny Cash’s ‘Ring
of Fire’ coverden, besloten we te verkassen.
’t Was mooi geweest daar in dat trekgat.
Café De Sportvriend was een welkome verademing, een oase van rust en warmte.
Dag 2 was dus feest in het Kokerpark
Deze keer niet met de burgemeester, maar Tom Balthazar was wel weer van de
partij; zelfde streepjespak, zelfde zonnebril als waarmee ik hem de laatste tijd
constant tegen het lijf loop op openingen her en der.
Wat niets zegt over hem natuurlijk, noch over mij.
‘Beter dat dan dat we dingen moeten sluiten’, antwoordde hij op mijn opmerking
dat we elkaar toch wel vaak zagen de laatste tijd.
Daar had ik niet van terug.
Maar het feest dus.
Een feest vooral voor de kinderen, zelfde kinderen als de dag ervoor maar anders
beschilderd.
Er was veel animo, veel ambiance, veel volk zelfs. Een gezapige orgelist,
afschuwelijke roze en rode geraniums –mijn ding niet, geraniums- en
pannenkoeken.
Wapperende haren en wapperend hoofddoeken.
We wind trok aan ons lijf
Tussendoor werd ‘de Ooievaar’ ingehuldigd door Tom. Laddertje op, lintje
knippen, openvallende draperieën, laddertje af, brede grijns, applaus, handdruk
en felicitaties voor de Meester en schuimwijn voor ons -merci C. –
Net echt allemaal.
Het kunstwerk?
Een selectie van portretten –portretten intussen berucht en beroemd en gevreesd
bij iedere zichzelf respecterende Brugse Poort bewoner- die Marc Hoflack,
Fixatief, in de loop van het afgelopen jaar genomen heeft van iedereen die het
gewaagd heeft om ook maar in de buurt van de Reinaertstraat te komen -en je moet
een verdomd goed excuus hebben om niet voor zijn lens te willen zitten- zijn
uitvergroot tot foto's van 30/30cm en zijn bevestigd tegen de wand van het
buurtcentrum.
90 foto's, 90 paar ogen.
Een grappig, bizar resultaat dat zeker de moeite waard is om eens te gaan
bekijken.
De foto's zijn bewerkt en afgedrukt op vinyl wat garandeert dat ze er over 10
jaar nog net zo gaan hangen; onveranderd, onaangeraakt door de tijd.
Wat waarschijnlijk niet gezegd zal kunnen worden van de ‘modellen’.
Ondergetekende hangt met haar smoelwerk ook tussen de selectie; heeft ze
ontdekt, op een onbewaakt moment, haar 't is nie waar hè' nog net camouflerend
in een hoestbui -toegegeven, het shockeffect zindert nog na, te weten dat er
elke dag wel een paar voetballen tegen die muur zullen geknald worden- arme ons.
Wie al dit schoons wil komen bewonderen kan in de loop van de komende 10 jaar
eens passeren in het Kokerpark.
Wij gaan daar voorlopig niet lopen.
Els Eeckhout, Schuunschgreifster
17 mei 2007 -
Fanfare, La Bassée
De kogel is door de kerk, het ei is gelegd.
Ik trek met de fanfare mee naar Spanje, olé.
Het hoe en waarom is op zich allemaal niet belangrijk, who cares anyway, feit is
dat de fanfare, los van de noten die ze zelf rondstrooit, ook af en toe en hier
en daar een paar letters woorden zinnen verdient.
Bij wijze van voorbereiding leek de uitstap naar la Douce France op
Hemelvaartdag mij de ideale gelegenheid om eens te voelen of ik dat wel zou
kunnen. Schrijven over die kleurrijke bende. Alleen, het zat met mijn eigen
concrete voorbereiding vandaag niet echt goed. Ik wist wel het uur van vertrek
en ik dacht ook wel de plek van vertrek te kennen maar die bleken beide niet te
kloppen.
Aargh warhoofd, klungelaar, looser.
Weg bus, weg noten, weg verslaggeving.
Goe bezig.
Cirkeltjes draaien in mijn kot; waarom LUISTER ik gewoon eens niet beter als de
mensen iets vertellen? Dan stond ik mezelf hier nu niet de verdoemenis in te
wensen.
Maar wanneer de nood het hoogst is en blablabla ... mijn muze bracht redding.
Een SMS en een telefoontje later werd ik gebracht waar ik wilde zijn: La Bassée.
De goden waren mij welgezind.
Hemelvaart.
Kachelend aan 90 per uur, kabbelend over Vlaamse wegen –noot hier: we reden van
West-Vlaanderen, Noord-Frankrijk binnen. Kan iemand mij vertellen waarom
‘Westen’ hier plots ‘Noorden’ wordt? Serieus-
Achter een Poolse vrachtwagen, keuvelend over de dingen des levens.
’t Leven kán schoon zijn, wat de rest ook moge beweren.
Soms passen de dingen gewoon wél.
Soms.
We zijn op tijd aangekomen, te vroeg zelfs, in het Noord-Franse dorpje .
Lessen ornithologie op weg naar de plaats van afspraak: de huismus, de lijster,
de merel, de vink –Vlaamse of Franse, dat was niet zo duidelijk, maar zijn
suskewiet was onmiskenbaar Vlaams dachten we-
La Bassée dus, ‘6 milles habitants, madame, oui, pas beaucoup, non’ wist de ons
toegewezen official me te vertellen. Denk dat die gast de kriebels van ons kreeg
in de loop van de namiddag, als hij wou dat we nu eigenlijk toch maar eens
moesten doorstappen, bleven we staan. Vond hij dat er gestopt moest worden dan
liepen we hem keer op keer uit zijn schoenen.
Was een goed idee om mee de grens over te gaan, een heel goed idee, al zeg ik
het zelf. OK, ik had niet direct gedacht aan toepasselijk kledij en ook niet
direct aan een hoofddeksel en nog minder aan een instrument –muziek máken en
ikke, dat is niet compatibel- maar een bloem in het haar, ‘Rosita’, en ik was er
klaar voor.
En met mij de ganse bende.
De fanfare zien en horen optreden in een zaal is tof, zelfs de fanfare zien en
horen repeteren is tof. Maar deel uitmaken van de groep ansich en mee tussen die
horden mensen lopen? Das toch wel héél speciaal.
Klein dorp, maar er stond verdomd veel volk te kijken.
Enfin, ik ben dat niet gewend zoveel aandacht; de aanvankelijke schroom hield me
het eerste halfuur tussen trommel en djembe –niet ideaal, toegegeven want LUID -
met de hitte van de vuurspuwers in onze rug, om dan later om redenen sterker dan
mezelf helemaal vooraan te belanden, zeulend met de karretjes van de jongleurs
– bizar ook dat ik de dag nadien niet zozeer last had van pijnlijke armspieren,
of zelfs beenspieren, neen, mijn buikspieren. Mijn buikspieren godbetert, die
repen die links en rechts van je navel lopen? Awel ja die; die hebben het
blijkbaar het hardst te verduren gehad, begrijpe wie begrijpe kan-
Mojito, Mankepoot, Calypso, Indépendance ...
Vlám een nieuw nummer, vlám een nieuwe choreografie, vlám ne solo, vlám
handdoeken, ‘borstels? neen nu de plumeau’s, wacht, wáááácht, ge loopt te ver
van voor; kunde gij dan zo en zo doen als wij dat en dat doen?’
Stress, fuck, stress.
Fout, fout, ik ben helemaal fout bezig.
Vlám voor de verandering een nieuw pasken.
Die klote pasjes die er op het eerste zicht zo eenvoudig uit zien maar dat
eigenlijk helemaal niet zijn –gelóóf me-, zeker niet als je tegelijkertijd ook
nog eens vooruit moet zien te komen.
Chaos en ambiance, dat is wat me gaat bijblijven van deze parade.
En dat schoonheid in klein dingskes zit.
En respect voor de muzikanten.
In de pas met De Vlag, rondjes draaien met De Eénwieler, huppelen achter De Nar,
door de knieën met De Jongleuse, botsen met De Grote Trom, levenslessen van De
Sax –goed 24 jaar jonger, met een ‘denkt dáár maar eens over na’ zijn
jongenslach lachend-, lachen met het ballerina kleedje van De Sax 2 –zo schoon,
zo schattig-, met open mond staren naar De Vuurspuwer –‘May All My Sins Be
Remembered’-
of zoiets.
Nu, op een bepaald moment hadden we het wel gehad eigenlijk, zó groot kon dat
dorp toch niet zijn? Wist er iemand nog waar we waren? We leken al uuuren rond
die kerk te cirkelen; net of ze ter plekke straten uitvonden om ons toch maar
niet te laten gaan. Die parade was ein-de-loos.
We waren al 4h aan de gang, komaan gasten.
Moe, moe toch wel eerlijk gezegd.
Maar content.
Zo veel indrukken weer, zo veel beelden en en en ... ik weet het niet, op een
dag geeft mijn hoofd verstek, laat het mij in de steek, dumpt het mij zonder
pardon omdat het dit alles, dit veel, niet meer gaat kunnen behappen.
Maar dat zie ik dan wel als het zover is, voorlopig krijg ik die glimlach niet
van mijn gezicht.
Els Eeckhout, Schuunschgreifster
|